Heel Twente Schrijft 2016

In de zomer van 2016 viel mijn oog op een verhalenwedstrijd georganiseerd in mijn buurt. De zin “en iedere dag, bij de laatste letter, drong zich de gedachte op of wat hier gekerfd stond ooit gezien zou worden” moest verwerkt worden in een historisch verhaal. Ik mailde het verhaal -wat hieronder te lezen is- in en deed daarmee voor het eerst sinds mijn schooltijd mee met een verhalenwedstrijd. Totaal niet verwacht bleek ik de winaar van de wedstrijd Heel Twente Schrijft 2016. Een hele eer en een hele mooie timing, een paar dagen later zou “Oppervlaktespanning” uitkomen tijdens een gezellige boekpresentatie!


Reflecties in het water van de Maas

Ze zag hem niet. Hoe kon het ook anders, de ondergaande septemberzon scheen hem fel in de ogen, hetzelfde licht moest ook haar het zicht ontnemen. Zijn handen grepen de balustrade nog iets steviger vast. Hij staarde naar beneden, naar het water van de Maas. Zo af en toe gleden zijn ogen naar rechts, naar de kade waar zij stond. Was zij eerst de frêle dame aan zijn arm die hij graag de wereld liet zien, nu kon hij slechts naar haar kijken en gissen. Gissen naar wie ze was, wat ze dacht. En waarom ze vandaag aan de oever van de Maas stond.
Uit alle macht probeerde hij zijn ogen niet langer dan een minuut te sluiten. Dan kwamen ze weer, de beelden, de geluiden. Voelde hij weer hoe het bloed naar zijn hoofd steeg terwijl het al brandde van de koorts. Hoorde hij weer het “Courage! On les aura” galmen in zijn oren.
Hij voelde zich aangetrokken door het water maar hij wilde de reling niet los laten, niet nu.

Het viel haar zwaar om hier te staan.
Ze hoefde niet veel moeite te doen om de dood te ruiken. Een geur die ze voor altijd met Verdun zou associëren. Hij dacht dat ze hem niet zag. Hoe hij daar stond met zijn blik op oneindig terwijl zijn handen de balustrade stevig omklemden. De septemberzon liet zijn gezicht oplichten als ooit te voren de vlammen deden. Zij zag hem, natuurlijk zag zij hem. Net zoals ze hem ‘s nachts zag als hij wakker schreeuwde uit de zoveelste nachtmerrie. Ze zag hem als hij op zijn stoel bij het raam het slapen uitstelde, ze zag hem als hij gehurkt onder de douche hoopte dat de wereld hem vergat. Ze zag hem telkens als hij dacht dat zij hem niet zag.

Haar blik gleed naar de stadspoort, bracht haar naar de beginjaren van hun relatie. Nog steeds kon ze voelen hoe haar jurk om haar enkels vloeide terwijl ze naast hem liep door de straten van Parijs. Was het niet gisteren dat ze samen de meest opwindende avonden beleefden? Dat hij haar had meegenomen naar de premiere van een ballet, Le Sacre du printemps in het meest moderne theater dat ze ooit gezien had? Wat een veelbewogen avond was dat. Ze had geprobeerd te genieten van het ballet en de muziek maar de opstootjes in het publiek hadden haar angstig gemaakt. Hij had haar aangekeken met de rustige, zelfverzekerde blik die ze van hem kende en dat had haar het vertrouwen gegeven dat ze veilig was. Met de gedecideerdheid die zo bij hem hoorde nam hij haar een paar dagen later nogmaals mee naar hetzelfde ballet. Nu er geen opstootjes waren kon ze genieten van de opwinding die de stampende Russische boeren aan haar overbrachten. Wat was het toch een heerlijke tijd!
Haar mijmeringen gaven haar de moed om weer te kijken naar de brug waar hij onveranderd naar de kringen in het water staarde. Ze wist dat de gedachten aan zijn overleden kameraden de herinneringen aan het verleden hadden vervaagd. Dat haar werk in de gaarkeukens een lichtvoetige dansavond was naast de gruwelen waar hij doorheen ging op bevel van generaal Petaín. Zijn pijn sneed door haar ziel, kerfde er iedere dag een reepje uit, vormde letters, vormde woorden. Iedere dag deed het meer pijn hem zo te zien en iedere dag, bij de laatste letter, drong zich de gedachte op of wat hier gekerfd stond ooit gezien zou worden. Of hij haar ooit weer zo diep in haar ogen zou kijken dat hij haar ziel kon zien.

Zijn adem stokte en even was hij terug in de tijd. Het was alsof er geen jaren verstreken waren en het weer 1916 was. Hij hoorde ze weer, rook de explosies weer. Voelde ze zoals ze toen voelden. Alsof hij vastgebonden was aan een paal. Hij kon geen kant op, er was geen uitweg. En op dat moment kwam er een man met een hamer op hem af om op een centimeter naast zijn hoofd te gaan hakken. Zo herinnerde hij zich de oorlog. Iedere slag naast zijn hoofd benam hem zijn adem, door de intensiteit en door het besef dat hij nog ademde. Hij doorleefde weer hoe hij niet anders kon dan zich te willen overgeven, hoe hij wenste dat hij de kracht had om tot zijn god te bidden.
Hij kon alleen maar hopen dat hij aan de rand van deze hel van herinneringen kon blijven staan. Het had hem al alles gekost wat hij in zich had om hier te komen. Hoe moest hij zich staande houden? Alleen de balustrade van deze brug gaf hem steun. Alleen de weerspiegeling van de zon in het water gaf hem glans.