Boek Twee

Ergens zo rond september wist ik het zeker: schrijven, dat kon ik eigenlijk niet.
Na “Oppervlaktespanning” stoomde ik door met het schrijven van gedichten voor “boek twee”. Door alle dingen die er zo zijn rondom een boekpresentatie werd het schrijven minder en daar maakte ik me totaal niet druk over: als ik niet weer zou gaan schrijven dan zou ik vast iets anders vinden wat me zou raken.
Voor mij -nog steeds- onverwachts won ik een schrijfwedstrijd, u heeft er over kunnen lezen op deze website en natuurlijk liet ik het ook graag weten via de social media. Een paar rake woorden van iemand die daar rond liep maakten dat ik mijn stelligheid overwoog.
Mijn stelligheid dat ik niet geschikt ben om een boek te schrijven. Niet losse gedichten gebundeld, maar 1 of ander werk met veel zinnen en een lange adem. Dus deze update betreft wel boek twee maar stiekem is het niet boek twee die ik in juli vorig jaar begon. Dit is boek twee, een paar dagen na mijn boekpresentatie begonnen. Boek twee, kan ik u alvast verklappen is een boek waar ik graag mee worstel en waar ik ook van verwacht lang mee te gaan worstelen. Het is dan ook mijn eerste lange verhaal, ik stap met open ogen en een brede grijns in iedere valkuil maar krabbel er net zo hard weer uit. De dagen dat het schrijven automatisch lijkt te gaan en alles klopt maken het echter allemaal weer goed! Ik verwacht binnen de 3 tot 10 jaar tevreden genoeg te zijn om het boek te delen, als deze vingers nog zo lang mogen typen, natuurlijk.

Boek twee
Phase:Writing
13%

Reflecties in het water van de Maas

Ze zag hem niet. Hoe kon het ook anders, de ondergaande septemberzon scheen hem fel in de ogen, hetzelfde licht moest ook haar het zicht ontnemen. Zijn handen grepen de balustrade nog iets steviger vast. Hij staarde naar beneden, naar het water van de Maas. Zo af en toe gleden zijn ogen naar rechts, naar de kade waar zij stond. Was zij eerst de frêle dame aan zijn arm die hij graag de wereld liet zien, nu kon hij slechts naar haar kijken en gissen. Gissen naar wie ze was, wat ze dacht. En waarom ze vandaag aan de oever van de Maas stond.
Uit alle macht probeerde hij zijn ogen niet langer dan een minuut te sluiten. Dan kwamen ze weer, de beelden, de geluiden. Voelde hij weer hoe het bloed naar zijn hoofd steeg terwijl het al brandde van de koorts. Hoorde hij weer het “Courage! On les aura” galmen in zijn oren.
Hij voelde zich aangetrokken door het water maar hij wilde de reling niet los laten, niet nu.

Het viel haar zwaar om hier te staan.
Ze hoefde niet veel moeite te doen om de dood te ruiken. Een geur die ze voor altijd met Verdun zou associëren. Hij dacht dat ze hem niet zag. Hoe hij daar stond met zijn blik op oneindig terwijl zijn handen de balustrade stevig omklemden. De septemberzon liet zijn gezicht oplichten als ooit te voren de vlammen deden. Zij zag hem, natuurlijk zag zij hem. Net zoals ze hem ‘s nachts zag als hij wakker schreeuwde uit de zoveelste nachtmerrie. Ze zag hem als hij op zijn stoel bij het raam het slapen uitstelde, ze zag hem als hij gehurkt onder de douche hoopte dat de wereld hem vergat. Ze zag hem telkens als hij dacht dat zij hem niet zag.

Haar blik gleed naar de stadspoort, bracht haar naar de beginjaren van hun relatie. Nog steeds kon ze voelen hoe haar jurk om haar enkels vloeide terwijl ze naast hem liep door de straten van Parijs. Was het niet gisteren dat ze samen de meest opwindende avonden beleefden? Dat hij haar had meegenomen naar de premiere van een ballet, Le Sacre du printemps in het meest moderne theater dat ze ooit gezien had? Wat een veelbewogen avond was dat. Ze had geprobeerd te genieten van het ballet en de muziek maar de opstootjes in het publiek hadden haar angstig gemaakt. Hij had haar aangekeken met de rustige, zelfverzekerde blik die ze van hem kende en dat had haar het vertrouwen gegeven dat ze veilig was. Met de gedecideerdheid die zo bij hem hoorde nam hij haar een paar dagen later nogmaals mee naar hetzelfde ballet. Nu er geen opstootjes waren kon ze genieten van de opwinding die de stampende Russische boeren aan haar overbrachten. Wat was het toch een heerlijke tijd!
Haar mijmeringen gaven haar de moed om weer te kijken naar de brug waar hij onveranderd naar de kringen in het water staarde. Ze wist dat de gedachten aan zijn overleden kameraden de herinneringen aan het verleden hadden vervaagd. Dat haar werk in de gaarkeukens een lichtvoetige dansavond was naast de gruwelen waar hij doorheen ging op bevel van generaal Petaín. Zijn pijn sneed door haar ziel, kerfde er iedere dag een reepje uit, vormde letters, vormde woorden. Iedere dag deed het meer pijn hem zo te zien en iedere dag, bij de laatste letter, drong zich de gedachte op of wat hier gekerfd stond ooit gezien zou worden. Of hij haar ooit weer zo diep in haar ogen zou kijken dat hij haar ziel kon zien.

Zijn adem stokte en even was hij terug in de tijd. Het was alsof er geen jaren verstreken waren en het weer 1916 was. Hij hoorde ze weer, rook de explosies weer. Voelde ze zoals ze toen voelden. Alsof hij vastgebonden was aan een paal. Hij kon geen kant op, er was geen uitweg. En op dat moment kwam er een man met een hamer op hem af om op een centimeter naast zijn hoofd te gaan hakken. Zo herinnerde hij zich de oorlog. Iedere slag naast zijn hoofd benam hem zijn adem, door de intensiteit en door het besef dat hij nog ademde. Hij doorleefde weer hoe hij niet anders kon dan zich te willen overgeven, hoe hij wenste dat hij de kracht had om tot zijn god te bidden.
Hij kon alleen maar hopen dat hij aan de rand van deze hel van herinneringen kon blijven staan. Het had hem al alles gekost wat hij in zich had om hier te komen. Hoe moest hij zich staande houden? Alleen de balustrade van deze brug gaf hem steun. Alleen de weerspiegeling van de zon in het water gaf hem glans.

Hoedenplankhondje

op het horloge twee keer
groter dan zijn pols
kijkt hij hoe laat het is
leunt nonchelant met zijn rug tegen mijn ziel
beweegt zijn hoofd op het ritme van het bloed
dat door mijn aderen stroomt
als ware hij een hoedenplankhondje
en geeft mij net dat zetje

duwt mij harder hoger
mijn vlucht op de schommel
geknoopt tussen twee grote
lindenbomen de vrije val
giert door mijn longen
laat de secondenwijzer in
mijn ogen even verstommen

Langzame Passen

Ieder moment kan ik het doen
opstaan
schoenen aan
nog even in de spiegel kijken of
juist niet want geeft het nog?
jas aan
zal ik denken aan een sjaal als ik ga
zal de kou me deren als ik

het besluit genomen
lange langzame passen
in een film zou het nu donker zijn
en regenen en jij zou thuis radeloos
denken dat je niet wil en me
toch achterna gaan

De avond is helder en ik zie veel sterren
eigenlijk is de avond wel zacht
een vleugje lente kriebelt mijn hersenen
ik weet niet waarheen
ik dwaal wat

In mijn zak brandt mijn sleutel
op het puntje van mijn tong
een sorry
zullen we het nog eens proberen
maar dan anders, beter?
Als jij nou dit en ik nou dat

Dan dwaal ik ‘s avonds niet meer af
laat ik het moment voorbij gaan
schreeuw ik alleen in mijn kussen
tot het over is en dan
ben jij er
en ik

2^10^118

twee tot de macht
tien tot de macht
honderdachttien
meter sterrenstof
raasde ik voorbij
om te vinden wat
ik zocht: mij.

je had het koud
zag ik direct en mijn
handen staken in
zakken met bonnetjes
van restaurants en
bitterballen met vlammetjes

natuurlijk lustte ik
ook graag een glas
met bier en zo gezeten aan de
toog vroeg ik naar hier
ik werd duizelig van
het hier en daar was
jij nou jij of was jij ik
en wie moest ik zijn dan

jij kletste maar en ik
praatte wat en opeens
werd het zonneklaar
als jij hier ik was en ik
hier ook dan werd het
nutteloze nutteloos

jij kreeg een idee wat
mij subiet te binnen viel
jij haaste je naar huis
waar ik afgemat wachtte

jij knoopte het touw
ik legde de lus
jij stond op de stoel
ik trapte hem weg
jij liep blauw aan
ik snakte naar adem
stierven wij twee tot de macht
tien tot de macht honderdachttien
meter verderop eveneens samen?